Werk en samenleving  

 
Op naar Lodz: Manufaktura
22 november 2015

Bestemming Lodz, de grote onbekende. Ruim 700.000 inwoners, derde stad van Polen en toch gaat niemand er naar toe. Tenzij je er woont, werkt of vrienden wilt bezoeken. Of als je – zoals mij is overkomen – wordt verleid te gaan door iemand die al jaren zijn hart aan Lodz heeft verpand. De stad zal vooralsnog niet in de toeristen top 10 lijstjes van Polen verschijnen, daarvoor is de ontstaansgeschiedenis te jong en het Disney gehalte te laag. En zolang reisgidsen vooral sterren uitdelen voor kastelen, kerken en middeleeuwse centra, zal Lodz ook niet hoog in de ranking komen. Dat is jammer, want Lodz heeft juist heel veel te bieden. Deel 1 van een serie over het prachtige maar onbekende Lodz.

 

 

De opgang en ondergang van de textielindustrie, de sovjet overheersing en heel veel creatief DNA heeft de stad gevormd. De stad is één groot driedimensionaal decor en tegelijkertijd levensecht. Het is niet voor niets dat de grootste Poolse regisseurs juist uit deze stad komen. Je voelt de vibraties van wat is geweest, maar ook dat hier iets staat te gebeuren. Een kleine week heb ik rondgedwaald in Lodz en ik kon er maar niet genoeg van krijgen. Noem het maar liefde op het eerste gezicht. En ook herkenning. Een parallelle identiteit. De fabrieken van Lodz stonden ook in het Twente van mijn jeugd. Sommige van mijn oudere familieleden hebben hun jonge jaren nog in de textielfabriek doorgebracht.

De stedelijke opbouw van Lodz is een geheel andere dan de rest van Polen en Lodz is als stad pas gaan groeien na 1830 (met 13.000 inwoners toentertijd een kleine onbetekenend stadje). Lodz werd dankzij een gunstige ligging aan het water door de autoriteiten aangewezen als vestigingslocatie voor de textielindustrie en een halve eeuw later was Lodz een van de grootste textielsteden van Europa. Het frappante is dat je van het water niets meer ziet, de stad is er overheen gebouwd. Investeerders, arbeiders, gelukszoekers, kunstenaarsvolk dat voor de textielbaronnen aan de slag ging, van alle kanten stroomden ze toe. Lodz was het nieuwe beloofde land. De stad groeide in een mum van tijd door naar ruim 500.000 inwoners in 1900.

 

 

Bijzonder is ook, al dwaal je er dagen rond, je niet in het oude centrum van het Lodz van 1830 geraakt. Niemand heeft het er ook over. Vrienden in Lodz brengen je naar hele andere plekken. Het gedeelte wat sinds de opkomst van de textielindustrie wordt gevoeld als het centrum van de stad, is naast het oude Lodz gebouwd volgens een gritsysteem. De straat waar alles om draait in dit gebied is de Piotrkowska, met een lengte van vier kilometer de langste winkelstraat van Polen. Alleen al om dit langgerekte centrum lijkt de stad in het niets op andere steden in Polen. Verwacht in Lodz geen traditioneel marktplein met zacht geel, rood en groen geverfde huizen.

 

 

Lodz is de armste stad van Polen en Lodz is rauw. Elk gebouw in de binnenstad is bekladderd met graffiti. Maar ook overal streetart van hele bekende makers. Negentiende-eeuwse jugendstil architectuur en Oostblokarchitectuur wisselen elkaar af. De verf bladdert van de gebouwen en grijs is de overheersende kleur. Toch voel je ook de nieuwe tijd. Het gaat goed met de economie van Polen en Lodz groeit mee. Op veel plekken wordt gebouwd en nieuwe industrie weet de weg naar Lodz te vinden. Overal zijn jonge mensen en de stad laat in een aantal (licht, film, foto, design en jazz) festivals van bijzonder hoog niveau haar creativiteit zien. De uitgaanscultuur van Lodz doet me een beetje denken aan Berlijn. Met dat verschil dat toeristen de weg naar Berlijn weten te vinden en dat Lodz nog een groot bewaard geheim is.

 

 

Het meest typerend voor Lodz zijn de voormalige fabriekscomplexen. De hele stad staat er vol mee, lukraak, alsof ze er willekeurig zijn uitgestrooid. Een deel van de complexen, dicht tegen het centrum aangelegen heeft een nieuwe bestemming gekregen, de iets verder gelegen complexen wachten nog op nieuwe eigenaren met geld en lef. De natuur heeft er vrij spel en de villa’s van de voormalige textielbaronnen brokkelen er steeds verder af. De bij de fabrieken gelegen arbeiderswijken zou je ook zo op de monumentenlijst kunnen zetten. Sommige delen leveren een bizar contrast op. De opgeknapte delen met een diep warme oranje kleur en strakke gevels, de vervallen delen beroet, bestoft en in vervallen staat. De stad heeft de val van de textielindustrie nog niet verwerkt.

 

 

Maar Lodz veert terug. De wederopstanding van Lodz is 10 jaar geleden gestart met de opening van Manufaktura. Een vervallen textielcomplex met een oppervlakte van 27 hectare werd met heel veel liefde voor detail, herbestemd tot een grootschalig winkel en leisure centrum. Waar veel steden in vergelijkbare situaties kiezen voor grootschalige anonieme nieuwbouw, koos Lodz ervoor haar industrieel erfgoed in te zetten. Bijna niemand geloofde erin en stiekem was er ook hoop. Creatieve pioniers staken de hoofden bij elkaar, een Franse partij durfde te investeren en ineens verscheen in het grijze en rafelige Lodz ten noorden van de Piotrkowska een prachtig nieuw centrum, passend bij het eigen DNA. Herkenning en erkenning door de eigen bevolking. Waar de Westergasfabriek in Amsterdam en het UNESCO erfgoed van de Zeche Zollverein in Essen bovenal het domein werd van de culturele elite, werd Manufaktura van iedereen.

Foto’s van boven naar beneden: Manufaktura, Winkelstraat Piotrkowska, Centrum Lodz, Streetart ROA, Leegstaand fabriekscomplex in Ksiezy Mlyn

Off Piotrkowska, uitgaanscentrum

Herbestemd complex in Ksiezy Mlyn (lofts en leisure)

Voormalige arbeiderswijk tegenover hotel Andels, Manufaktura

Hotel Andels, met zwembad op dak, Manufaktura

Manufaktura, kunstcentrum




Er zijn nog geen reacties
Overschot aan flexlocaties. Zegen of vloek?
10 september 2013

Nog maar een paar jaar geleden schoof ik aan bij een vergadering in de van Nelle Fabriek in Rotterdam. Kantoren waar externen een flexplek konden huren waren nog maar net in opkomst. Ons gezelschap bestond met name uit beleidsmakers economische zaken, vastgoedjongens en adviesbureaus. Vanuit de landelijke overheid was een onderzoek gefinancierd naar de opkomst van flexlocaties en met het aanwezige gezelschap werd de uitkomst besproken en werden nieuwe locaties die onder aanwezigen bekend waren aan de lijst toegevoegd. Ik moet nu nog vaak aan die bijeenkomst terugdenken. Tegenwoordig kom je om in de flexplekken en zal geen overheid meer bedenken hiervoor nog een lijst te laten opstellen.

Nog maar enkele decennia geleden was het werklandschap heel overzichtelijk. Je had kantorenlocaties, bedrijvenparken en binnenstedelijke bedrijventerreinen. Een degelijke maar ontzielende indeling alsof werken en leven niets met elkaar te maken hebben. De zakelijke dienstverlening trok zich gelukkig niet veel van deze indeling aan, die jongens zaten overal, ook in de binnenstad. Kleine bedrijfjes worstelden zich omhoog en als er voldoende cashflow was, ging de deur van de bank en de makelaar op een kiertje, let wel, op een heel klein kiertje.

 

 

Als antwoord op deze situatie kregen we bedrijfsverzamelgebouwen waar de kleinere huurder zich kon vestigen en waar de onrendabele top met behulp van een subsidie werd weggepoetst. Deze panden trokken zich al iets minder aan van de locatie. De kleine bedrijfjes kropen bij elkaar in een gebouw en de grote jongens haalden er hun neus voor op, verschil moest er immers wezen. De concepten van dergelijke panden klonken flexibel, maar het denken was best nog wel star, vooral de huurtermijn, daarover viel nog niet echt vaak over te  onderhandelen. Het was nog oud denken in een verjongd jasje.

Het imago van bedrijfsverzamelgebouwen naam zienderogen toe op het moment dat oud industrieel erfgoed opnieuw in de markt werd gezet. De uitstraling van dergelijke panden had een groot effect op de directe omgeving en er moest zelf voor worden opgepast dat grote jongens aangetrokken door de hippe uitstraling, de kleinere bedrijfjes – die deze locaties groot hadden gemaakt met hun visie en lef – niet uit de markt gingen drukken.

Terwijl beleidsmakers zich nog zorgen zaten te maken over die verdrukking, doken  flexlocaties op. Ontschotte kantooretages, waar iedereen niet meer in zijn eigen hok zat, maar plaats nam in een ruimte waar je per dagdeel een bureau kon huren.

 

 

Flexplek locaties werden een gat in de markt. De opkomende leegstand versnelde het proces. Inkrimpende organisaties hoopten de eigen kas nog wat te kunnen spekken een zetten een deel van het leegstaande bedrijf als flexkantoor en of bedrijfsverzamelpand in de markt. Anderen richten bewust bij nieuwbouw een deel van het pand als zodanig in, dat stond wel hip en getuigde van nieuw denken. Gemeenten richtten ondertussen in samenspraak met Kamers van Koophandel het Ondernemershuis in. Hier kun je zelfs gratis flexwerken! Kleinere bedrijven en zelfstandigen konden ineens overal terecht en daarmee eind goed al goed?

Nee, je wilt niet alleen een werkplek. Je wilt bovenal werken op een plek waar ontmoetingen tot meerwaarde leiden. Maar we hebben inmiddels veel te veel van die plekken en in de gratis Ondernemershuizen zit bijna geen hond.  Wat we nodig hebben zijn dwarsverbindingen en interessante ontmoetingen,  de voorwaarde om de eigen zaak bedrijfsmatig nieuwe impulsen te geven maar ook een keiharde voorwaarde voor innovatie om de stad, regio of de BV Nederland economisch te laten floreren.

En stiekem denk ik dan terug aan die bijeenkomst. Toen dergelijke plekken nog een zeldzaamheid waren en dat als het je was gelukt, een plek in een dergelijk verzamelgebouw te verwerven, je het geluk had te mogen werken in een omgeving waar het zinderde van energie. Ik wil ook zo’n plek! Nu zitten niet alleen kantoorwerkers in half lege panden, ook de flexwerkers zitten meer en meer met lege bureau’s om zich heen.

 




Er zijn nog geen reacties
Noaberschap en kantelaars
31 augustus 2013

 

Afgelopen week was Jan Rotmans te gast in het provinciehuis van Overijssel op uitnodiging van het trendbureau Overijsssel. De meesten van ons zullen hem wel kennen. Hij is het laatste jaar in programma’s op tv, maar ook op congressen een graag geziene gast. Daarnaast laat Rotmans ook flink van zich horen met name op twitter. Het is een man met een boodschap, soms op het randje van de provocatie.

De strekking van zijn verhaal bevalt mij wel. Het geeft richting en duiding aan dit woelige tijdperk. Feitelijk wijst hij tools aan waardoor een oplossingsrichting kan worden bereikt. En het leuke is dat wijzelf de oplossing zijn. Bottum up, gezamenlijke kracht en menslievendheid zijn kernbegrippen wat Rotmans betreft.

Wie Rotmans een beetje volgt weet dat Rotmans en het begrip ‘kantelaars’ synoniem zijn. Met kantelaars worden personen bedoeld die door hun manier van werken en/of en denken feitelijk een revolutie veroorzaken. Beroemd is zijn uitspraak in een uitzending van Tegenlicht van afgelopen seizoen: ‘geef me vijf dwarsdenkers, kantelaars, frisdenkers op het gebied van energie, gezondheid, mobiliteit, bouw en voedsel. Samen creëren we een revolutie’. Hij haalde er ook even de woede van vele ‘kantelaars’ op zijn hals: Hoezo maar vijf? Hoe durf je. Wij zijn er toch ook al? Zie je ons dan niet? Velen van ons zijn toch al bezig met het vinden en aanreiken van nieuwe oplossingen? En denk je nu  niet even veel te simpel?

 

 

Rotmans wees aanwezigen op het begrip Noaberschap. Hij wist het overigens heel bijzonder uit te spreken. Hij maakte er een soort Naaaberschap van. Het zal ook wel een woord zijn dat alleen maar door Oosterlingen en op grond van de klankkleur ook door mensen uit Scandinavië uit te spreken is. Maar goed, Rotmans had met het oog op deze lezing het begrip Noaberschap bestudeerd en kon alleen maar concluderen dat in Overijssel wel heel veel kantelaars moesten zijn. Maar toen hij naar namen en initiatieven vroeg, bleef het wel een beetje stil in de zaal. Deels uit bescheidenheid, Oosterlingen eigen, maar deels ook omdat we wellicht nog eens niet goed in staat zijn te registreren, wie reeds waar als kiemende kantelaar aan de slag is. En dat geldt niet alleen voor Oost Nederland, maar feitelijk voor het hele land.

Rotmans had een interessant punt dat hoop geeft voor Oost Nederland. In het begrip Noaberschap is immers inbegrepen dat we het normaal vinden zonder bijbedoelingen of commercieel gewin voor een ander te willen zorgen of iets te betekenen. En het gaat over saamhorigheid, dat we lokaal weer een krachtige gemeenschap kunnen en willen vormen. Kortom noaberschap raakt een kern van het nieuwe denken en de gemeenschapszin waar we nu naar toe bewegen.

 

 

En Noaberschap en kantelaars zal Oost Nederland hard nodig hebben. Sociaal economische scenario studies beloven niet veel goed voor Oost Nederland. Het ziet het er naar uit dat Oost Nederland van het bordje gaat vallen. Uiteraard had het Trendbureau Rotmans ook gevraagd wat Overijssel moest doen om zich goed voor te bereiden op de toekomst. In zijn advies was Rotmans heel duidelijk. Voor alles en iedereen in Nederland geldt: “Alles wat je nu niet meer nodig hebt, wat je als je nu nog mocht creëren en nooit zou willen hebben, dat moet je onmiddellijk afschaffen”. De toehoorders voelden hem al: dan zou je ook geen instituut ‘provincie’ meer creëren.

Specifiek voor het landsdeel Overijssel gaf Rotmans het volgende mee: Overijssel heeft een wenkend perspectief nodig en benoem dat. Breng in beeld waar je op gaat inzetten en waarop niet, wees eens duidelijk en durf keuzes te maken. Kun je je voorstellen waar Overijssel over 2o jaar haar geld mee verdiend? Vergis je niet, dat is wellicht niet een van de sectoren waar je nu op zet, en bedenk vooral, het topsectoren beleid voldoet sowieso niet, dus ga het niet daar zoeken. En wie zijn eigenlijk jullie kantelaars? Weten jullie dat wel? Breng ze in beeld en ga ze faciliteren. En als afsluiting van zijn betoog: zijn jullie bestuurders wel in staat voldoende sturing aan de toekomst te geven? Ga over al die vragen maar eens nadenken.

Foto’s met dank aan Jan Taco te Gussinklo

 




Er zijn nog geen reacties
 

Archief