Stedelijke ontwikkeling tagged with 'Innovatie'  

 
Over lijnzaad, het Polymer Science Park en 3D printen
21 september 2013

Op het terrein in Zwolle langs de Nieuwe Vecht waar ooit lijnzaadolie werd geproduceerd werd eergisteren door het Polymer Science Park in samenwerking met onder andere de hogeschool Windesheim, lectoraat kunststoftechnologie (Zwolle) en Stenden PRE (Emmen), de beurs 3DprintNL georganiseerd. Het lijken toevalligheden, maar er is een duidelijk verband tussen het produceren van lijnzaadolie, de oprichting van het innovatiecentrum PSP en 3D printen.

In Oost Nederland werd in vroegere tijden veelvuldig vlas verbouwd, ten behoeve van de productie van linnen en lijnzaadolie. In Zwolle stonden maar liefs vier lijnzaadmolens langs de Nieuwe Vecht. Alleen de molen de Passiebloem staat er nu nog in vol ornaat. Het was de lijnzaadproductie, die onder andere de verfproductie en chemie in oost Nederland een boost gaf en op deze specifieke plek in latere tijden een industrieterrein liet ontstaan, met o.a. chemie (DSM) en technologie (Phillips) als belangrijke spelers.

 

Beurs 3DPrint.nl, 19 september 2013

De regio rondom Zwolle is mede door deze ontstaansgeschiedenis een belangrijke speler op het gebied van kunststoffen geworden (Overijssel en Drente samen vormen de tweede kunststofregio van Nederland) en om deze ontwikkeling een extra boost te geven is het Polymer Science Park opgericht als open innovatiecentrum voor toegepaste kunststof technologie met o.a. DSM en van Wijhe verf als partners.

Het PSP is een jong innovatiecentrum maar doet het goed. Overal in Nederland verrijzen innovatiecentra als paddestoelen uit de grond. Het lijkt wel een toverformule, zet een paar bedrijven inclusief onderwijsinstellingen bij elkaar, plak er een bordje ‘innovatiecentrum’ op en ontwikkeling is gegarandeerd? Zo werkt het niet. In een onderzoek dat Buck Consultancy vorig jaar verrichte naar innovatiecentra, krijgen maar 33 van de 74 opgerichte innovatiecentra het predikaat ‘echte campus’ toebedeeld: ook het PSP wordt als zodanig door Buck gekenmerkt.

 

Collectie PSP, kunststoffen gebruiksvoorwerpen van welleer

Als sinds jaar en dag gebruiken we zowel voor industrieel gebruik als voor consumptief gebruik diverse kunststof producten. Wie herinnert zich bijvoorbeeld niet de prachtige zwarte bakelieten telefoon van de PTT met een indrukwekkende draaischijf en een gigantische zware hoorn? Bakeliet is ook kunststof. Bij de herinnering aan een dergelijk product worden sommige mensen sentimenteel. De meesten van ons krijgen echter negatieve gevoelens als het om kunststof gaat. Kunststof wordt vaak geassocieerd met niet afbreekbaar materiaal. Maar tegenwoordig maakt de sector ook afbreekbare producten en producten gemaakt van biologisch materiaal. Dat deed de natuur overigens ook al. Barnsteen is een hars en harsen kunnen worden gezien als natuurlijke kunststoffen.

Het PSP heeft overigens in haar lab een prachtige collectie kunststoffen gebruiksvoorwerpen uitgestald staan maar deze collectie is feitelijk semi openbaar. Bezoekers van het Lab kunnen er een blik op werpen, maar zo maar binnen lopen, alleen maar om de collectie te bekijken, zo ver is het nog niet. Alle mankracht wordt op dit moment gestoken in de verdere op- en uitbouw van het kenniscentrum.

 

Geëxposeerd materiaal Beurs 3Dprint.nl

Terug naar de beurs 3DprintNL. Want wat is dan de verbinding tussen het PSP en 3D printen? Dat is snel verklaard: Rapid Manufacturing en Rapid Prototyping – oftewel 3D-scannen en –printen, maken het mogelijk direct vanuit de computer diverse kunststofproducten te maken, waardoor het maken van dure matrijzen overbodig kan worden. Op het PSP wordt onder andere onderzocht waar dergelijke omslagpunten liggen. Het is maar een voorbeeld, uiteraard zijn er nog veel meer dwarsverbindingen.

Met de organisatie van de 3D beurs werd door organisatoren nog een ander signaal afgegeven, namelijk dat de regio reeds vele 3D bedrijven kent en landelijk gezien ook voornemens is een belangrijke rol op dit gebied te spelen. 3DprintNL was met ruim 500 bezoekers zondemeer druk bezocht. Wat dat betreft is een goed signaal afgegeven.

 

Het printen van een kikker tijdens 3Dprint.nl 

 

Een vluchtig bezoek aan de beurs kan overigens misleidend zijn. Er stonden ook een aantal exposanten die met name kleine 3D geprinte kunststoffen poppetjes en hebbedingetjes op hun tafel hadden uitgestald. En als je heel veel van dat materiaal tegelijk ziet staan en de impact van de achterliggende techniek niet goed begrijpt, dan ga je 3D printen misschien eerder zien als leuk speelgoed voor ontwerpers en hobbyisten in plaats van als een doorbraaktechnologie welke de wereld van productie en logistiek op relatief korte termijn op zijn kop gaat zetten. Wat dat betreft is teveel van het zelfde op een beurs niet altijd het juiste signaal. De bezoeker die echter de gelegenheid nam, ook een aantal lezingen bij te wonen kreeg een behoorlijke doorsnee van technieken en toepassingsmogelijkheden voorgeschoteld.

De gasten en exposanten van de beurs zullen er niet bij stil hebben gestaan, maar het is bijzonder om te bedenken, dat dit alles op deze plek heeft plaatsgevonden omdat ooit op grote schaal in Oost Nederland vlas werd verbouwd en verwerkende molens ten behoeve van de productie van lijnzaad, met name langs de Nieuwe Vecht in Zwolle hebben gestaan.




Er zijn nog geen reacties
Overschot aan flexlocaties. Zegen of vloek?
10 september 2013

Nog maar een paar jaar geleden schoof ik aan bij een vergadering in de van Nelle Fabriek in Rotterdam. Kantoren waar externen een flexplek konden huren waren nog maar net in opkomst. Ons gezelschap bestond met name uit beleidsmakers economische zaken, vastgoedjongens en adviesbureaus. Vanuit de landelijke overheid was een onderzoek gefinancierd naar de opkomst van flexlocaties en met het aanwezige gezelschap werd de uitkomst besproken en werden nieuwe locaties die onder aanwezigen bekend waren aan de lijst toegevoegd. Ik moet nu nog vaak aan die bijeenkomst terugdenken. Tegenwoordig kom je om in de flexplekken en zal geen overheid meer bedenken hiervoor nog een lijst te laten opstellen.

Nog maar enkele decennia geleden was het werklandschap heel overzichtelijk. Je had kantorenlocaties, bedrijvenparken en binnenstedelijke bedrijventerreinen. Een degelijke maar ontzielende indeling alsof werken en leven niets met elkaar te maken hebben. De zakelijke dienstverlening trok zich gelukkig niet veel van deze indeling aan, die jongens zaten overal, ook in de binnenstad. Kleine bedrijfjes worstelden zich omhoog en als er voldoende cashflow was, ging de deur van de bank en de makelaar op een kiertje, let wel, op een heel klein kiertje.

 

 

Als antwoord op deze situatie kregen we bedrijfsverzamelgebouwen waar de kleinere huurder zich kon vestigen en waar de onrendabele top met behulp van een subsidie werd weggepoetst. Deze panden trokken zich al iets minder aan van de locatie. De kleine bedrijfjes kropen bij elkaar in een gebouw en de grote jongens haalden er hun neus voor op, verschil moest er immers wezen. De concepten van dergelijke panden klonken flexibel, maar het denken was best nog wel star, vooral de huurtermijn, daarover viel nog niet echt vaak over te  onderhandelen. Het was nog oud denken in een verjongd jasje.

Het imago van bedrijfsverzamelgebouwen naam zienderogen toe op het moment dat oud industrieel erfgoed opnieuw in de markt werd gezet. De uitstraling van dergelijke panden had een groot effect op de directe omgeving en er moest zelf voor worden opgepast dat grote jongens aangetrokken door de hippe uitstraling, de kleinere bedrijfjes – die deze locaties groot hadden gemaakt met hun visie en lef – niet uit de markt gingen drukken.

Terwijl beleidsmakers zich nog zorgen zaten te maken over die verdrukking, doken  flexlocaties op. Ontschotte kantooretages, waar iedereen niet meer in zijn eigen hok zat, maar plaats nam in een ruimte waar je per dagdeel een bureau kon huren.

 

 

Flexplek locaties werden een gat in de markt. De opkomende leegstand versnelde het proces. Inkrimpende organisaties hoopten de eigen kas nog wat te kunnen spekken een zetten een deel van het leegstaande bedrijf als flexkantoor en of bedrijfsverzamelpand in de markt. Anderen richten bewust bij nieuwbouw een deel van het pand als zodanig in, dat stond wel hip en getuigde van nieuw denken. Gemeenten richtten ondertussen in samenspraak met Kamers van Koophandel het Ondernemershuis in. Hier kun je zelfs gratis flexwerken! Kleinere bedrijven en zelfstandigen konden ineens overal terecht en daarmee eind goed al goed?

Nee, je wilt niet alleen een werkplek. Je wilt bovenal werken op een plek waar ontmoetingen tot meerwaarde leiden. Maar we hebben inmiddels veel te veel van die plekken en in de gratis Ondernemershuizen zit bijna geen hond.  Wat we nodig hebben zijn dwarsverbindingen en interessante ontmoetingen,  de voorwaarde om de eigen zaak bedrijfsmatig nieuwe impulsen te geven maar ook een keiharde voorwaarde voor innovatie om de stad, regio of de BV Nederland economisch te laten floreren.

En stiekem denk ik dan terug aan die bijeenkomst. Toen dergelijke plekken nog een zeldzaamheid waren en dat als het je was gelukt, een plek in een dergelijk verzamelgebouw te verwerven, je het geluk had te mogen werken in een omgeving waar het zinderde van energie. Ik wil ook zo’n plek! Nu zitten niet alleen kantoorwerkers in half lege panden, ook de flexwerkers zitten meer en meer met lege bureau’s om zich heen.

 




Er zijn nog geen reacties
TEDx Zwolle, inspiratie en optimisme
12 maart 2013

Vandaag werd een TEDx event in Zwolle georganiseerd. Natuurlijk kun je TED talks ook op een viewing party bekijken of achteraf, via het internet, maar een face to face contact met de pitchers op het podium geeft zoveel meer extra ervaring. Het was ook de schaal van het event – we zaten in de knusse en intieme theaterzaal van het Deltion college – waardoor het zowel tussen de talks door als achteraf, ook goed mogelijk was met de sprekers in contact te komen.

Veertien sprekers, verdeeld in drie blokken, onmogelijk om in 1 blog te verslaan, maar de teneur, de rode draad moet lukken. Het eerste blok had het thema environment. Opvallend was het woord fragiel. Het kwam zowel terug in de talk van Andre Kuipers als Thomas Rau. Andre Kuipers bezag de aarde vanaf een afstand en zag hoe fragiel ze was en Thomas Rau bekijkt de aarde vanuit een kringloopgedachte en nam ook het woord fragiel in de mond: Energie en menselijke power hebben we voldoende, maar bepaalde grondstoffen niet.

Zijn concept van ‘performance’ is intrigerend, simpel gezegd zijn we geïnteresseerd in de dienst die een product verleend, bijvoorbeeld dat onze was schoon wordt of dat we mobiel kunnen bellen. Dat zoiets dergelijks is verpakt in de vorm van een wasmachine of een mobiele telefoon, dat is een afgeleide zaak en daar zit de crux in het betoog van Rau: De fysieke manifestatie van het product zit vol met kostbare grondstoffen, scheep daar de consument niet mee op – die gooit het daarna weg – maar verkoop enkel de performance en geef het fysieke omhulsel aan de consument tijdelijk in bruikleen. Daarmee is de producent en niet de consument verantwoordelijk voor de recycling en gaan geen kostbare grondstoffen verloren.

 

 Maria Westerbos

Hoe asociaal de menselijke consument alles zo maar weggooit en/of klakkeloos consumeert bleek ook uit de talk van Maria Westerbos over de Plastic Soup. Natuurlijk hebben we allemaal gehoord van de gigantische hoeveelheden plastic die als massale kluwens in de oceaan drijven. Maar naar de talk van Westerbos zit het probleem heel urgent tussen de oren. We hebben met elkaar een megaprobleem gecreëerd en de technieken zijn nog niet voorhanden om dit probleem eventjes op te lossen. Ondertussen leven we in een plastic maatschappij en kunnen we ook niet meer zonder. Westerbos vertelde over een gemiddelde consumptie van 70 kilo plastic per aardbewoner per jaar! Dat is schrikken. Momenteel zijn er foute en goede plastics in de omloop. Maar zijn we in de winkel al wel in staat als consument goede en foute verpakkingsmaterialen te herkennen? Ik zou wel een plastic keurmerk label willen hebben. Dan weet je tenminste wat je koopt.

In de tweede serie talks stond ICT centraal. Met een fantastisch pleidooi van Ton Zijlstra voor Open Data. Door data en daarmee kennis te delen kunnen we vanaf een ander perspectief naar de zaken kijken en mede daardoor veel eerder innoveren. We leven in netwerken, open data geven de leden van het netwerk ook de mogelijkheid zelf bepaalde zaken aan te pakken en op te lossen. De metafoor van de mier die Zijlstra aanhaalde is wel een heel treffend. Je wilt toch niet temidden van een kluwen van medemieren leven en je ding doen zonder vragen te stellen? Don’t become an ant!

Heather Schlegel heeft onderzoek gedaan naar veranderde wijzen van betaling mede mogelijk gemaakt door de digitale netwerken waarin we leven. De vraag die zij stelt is intrigerend: in hoeverre het huidige betaalsysteem als dominant systeem kan en zal worden gehandhaafd. Reguliere valuta kunnen worden vervangen door plaatselijke valuta, we gaan ook steeds meer goederen en diensten ruilen zonder dat er geld aan te pas komt en via het internet en social media bevelen we producten, diensten en mensen aan, feitelijk een gunfactor die waarde creëert zonder dat er geld aan te pas is gekomen. Maar ook door data openbaar te maken en te delen creëren we extra waarde en daarmee versterkten de talks van Ton Zijlstra en Heather Schlegel elkaar direct.

 

Hendrik Blokhuis

In het derde blok stond productie centraal. Peter Phleps, futuroloog bij het IFMO legde een interessante case voor. Stel dat we straks auto’s hebben die we niet meer zelf hoeven te besturen. Wat een impact dat zal hebben op de samenleving: Niet alleen kan iedereen dan blijven rijden tot op hoge leeftijd, we zullen minder ongelukken krijgen waardoor de kosten voor de zorg omlaag gaan en we hoeven geen kostbare ruimte aan te wenden voor  parkeerplaatsen in de binnenstad. We stappen immers uit en de auto zoekt zich zelf wel een parkeerplaats verderop. Maar de nadelen zijn er ook: meer auto’s, meer congestie en meer kilometers file. Het is maar vanuit welk perspectief je naar deze optie kijkt en al dan niet blij van kan worden. Wellicht worden het wel ‘cars on demand’? Een soort taxi’s die we digitaal bestellen en delen met anderen die ook dezelfde kant op moeten? Hoe dan ook, dergelijke ontwikkelingen zullen een enorme inpact hebben op stedelijke inrichting, verkeer- en vervoersstromen en krimpvraagstukken.

Kijkende naar productie en datasharing, kon natuurlijk ook niet het Fablab ontbreken. Tomaz Diez van het Fablab Barcelona vertelde aanwezigen over de impact van datasharing op productieketens en afval en over de stad als Open Lab: via een keten van gespecialiseerde fablabs wordt kennis gedeeld en produceert de stad wat ze  zelf nodig heeft, niets meer en niets minder.

Barelona kent relatief veel Fablabs, meer dan welke andere stad in Europa en daar zie je dat alles in elkaar grijpt en dat we feitelijk om ons heen de proeftuinen van de nieuwe samenleving al zien verschijnen: In eerste instantie gedreven door de economische crisis, zijn met name in Barcelona heel veel alternatieve valuta en ruildienst systemen opgezet. Het is dan ook heel bijzonder van Tomaz Diez te vernemen dat het ook Barcelona is, waar het gedachtengoed van het Fablab zo aanslaat. Dankzij nieuwe technieken, datasharing en veranderende kijk op transactiestromen zijn gemeenschappen in staat toegevoegde waarde te creëren en zo voor zich zelf een nieuwe en betere toekomst te creëren.

 




Er zijn nog geen reacties