Blog  

 
Hippe stadsbewoners en trendy boeren
29 november 2013

Wie nog maar 20 jaar geleden zou hebben beweerd dat we anno 2013 en masse de handen weer vuil zouden maken in de moestuin, onze kinderen weer in de binnenstad gingen opvoeden en dat we co-creatie tussen het boerenleven en de designsector heel normaal zouden vinden, zou waarschijnlijk meewarrig zijn aangekeken. Wat opvalt aan deze opsomming is een vervlechting van zaken die heel lang als tegenstellingen werden gezien.

Neem de grootstedelijke yup van welleer die zijn kostje bij elkaar scharrelde in luxe warenhuizen, delicatessenwinkels en trendy restaurants versus de degelijke ouderwetse burgerman die jaar in jaar uit getrouw aardappelen, bonen, wortels, sla en boerenkool op eigen grond stond te verbouwen.

We hebben een grote omtrekkende beweging gemaakt voordat onze handen weer de klei ingingen. We moesten ons eerst realiseren dat blikvoer veel te lang gegaard en te gezouten is en dat vers gezonder is. Maar ook dat het niet duurzaam is om groente en fruit uit alle hoeken van de wereld te laten invliegen en dat het feitelijk belachelijk en ook arrogant is om seizoensgebonden groente en fruit van eigen bodem te weren. Een beetje overdreven gesteld maar toch: we waren bijna kwijt hoe inheemse groenten smaken en er uit zien.

 

 

Dat is sterk veranderd in een paar jaar tijd. Als we al zelf geen lapje grond hebben, dan op zijn minst een mini-kas op het balkon en ondertussen hebben we het ook over stadslandbouw, niet alleen uit noodzaak braakliggende stukken grond een invulling te geven, maar ook omdat de behoefte aan ‘ambachtelijk groen’ weer wordt gevoeld. Oké, natuurlijk gaat nog niet iedereen in deze beweging mee, maar wat relevant is dat ambachtelijk groen weer van status is voorzien. Back to basics.

Tegelijkertijd valt er ook een beweging te ontwaren die hier lijnrecht tegenover lijkt te staan. Het binnenstedelijk milieu werd jarenlang als een onmogelijke plek beschouwd om kinderen op te voeden en te laten gedijen. Het gros van de ouders had een sterke voorkeur voor een grond gebonden woning in een buitenwijk: meer ruimte, meer groen en meer rust. Er ging wel een prijskaartje aan: monotoom en geestdodend, maar dat werd door velen voor lief genomen. Sterker nog, het werd als volstrekt normaal beschouwd dat men liever in een eentonige buitenwijk dan in de hectiek van de stedelijke binnenstad wilde wonen.

Zelfs toen de binnensteden weer waren opgeknapt, duurde het een tijd voordat er een beweging terug naar de binnenstad op gang kwam. De profs uit het vak wisten waar deze terugkerende beweging op was gestoeld, men hoefde Jane Jacobs er maar op na te slaan. En al had de terugkerende bewoner wellicht nog nooit van Jacobs gehoord, deze groep voelde instinctief aan dat het gemêleerde milieu van de binnenstad juist heel veel te bieden heeft. En gebrek aan groen in de binnenstad? Dat wordt opgelost door zelf organiserende comités.

 

 

En last but not least, de boer kreeg weer status. Wellicht een flink stuk op weg geholpen door het populaire programma “Boer zoekt vrouw” en weermannen met prachtige tongvallen, kwam hoe dan ook, het boerenleven weer in beeld. De boer was niet langer een achtergebleven plattelander maar een mens van vlees en bloed met kennis en kunde. De eerste steunbetuigingen van liefde waren nog heel voorzichtig. Het begon met een koeien hype, eerst in de vensterbank en niet veel later als gekleurde standbeelden overal op straat, al dan niet door gemeentebesturen gefinancierd.

Maar dat de boer echt weer meetelt bleek wel uit de laatste editie van de Dutch Design Week. Daar waren de farmlabs ‘Agri meets design’ geprogrammeerd en met name deze ontmoetingen werden het gesprek van de dag en zelfs trending topic op twitter. Een alliantie tussen boeren en ontwerpers zou een aantal jaren geleden – voor beide partijen overigens – absoluut niet denkbaar zijn geweest. Het bijzondere is dat de bezoeker van de DDW 2013 deze programmering feitelijk volstrekt normaal heeft gevonden. Dat geeft opnieuw aan dat in een heel kort tijdbestek onze kijk op de directe wereld om ons heen, sterk is veranderd.

De rode draad uit dit alles is ‘essentie’ en ‘bezinning’. Het lijkt wel alsof we beter gaan waarnemen en onze zintuigen weer openen. Maar hoe valt deze ‘move’ dan te verklaren? Is het wellicht omdat we nu als groep zelf richting moeten geven aan het bestaan? We zijn onze ‘leidsmannen’ per slot van rekening kwijt: Het ongebreideld geloof in de merites van het kapitalisme en een overheid die ons ter aller tijde verzorgt, is ons immers ontvallen.




Er zijn nog geen reacties
Op zoek naar Nieuw Kapitaal
24 november 2013

Afgelopen donderdag zaten we met ruim 300 man in de Eusebius kerk in Arnhem. Een congres van Ruimtevolk waarin sprekers en bezoekers met elkaar op zoek gingen naar ‘Nieuw Kapitaal’. Niet zozeer kapitaal in de zin van geld, maar verbintenissen en allianties waardoor we in staat zijn maatschappij en ruimte zodanig vorm te geven opdat welzijn en welvaart zijn geborgd. Vooral het verhaal van Marleen Stikker, een van de keynote sprekers, triggerde mij bijzonder: We zijn niet alleen vervreemd van het internet, maar ook van de producten om ons heen.

Stikker legde de vinger op een zere plek die veel dieper gaat dan op voorhand lijkt: ‘Fixing the internet’. Overheden en bedrijven gluren. Het maakt pijnlijk duidelijk dat we geen eigenaar zijn en geen controle hebben op wat er gebeurd. Maar hoe we het eigenaarschap kunnen verwerven en zelf kunnen bepalen wat er gebeurd, die antwoorden hebben we nog niet. Met dat probleem aankaartend, maakte ze een gedachtensprong van de digitale wereld naar de producten waarmee we ons hebben omringd: Zijn we uberhaupt ook wel in staat de fysieke producten om ons heen te repareren of zelf te maken? Stikkers liet een leus zien: ‘If you can’t open it, you don’t own it’. En daar ligt de crux, we hebben het eigenaarschap van veel zaken die ons omringen weggegeven. Maar aan wie eigenlijk?

 

 

Bij ons thuis stond de keukentafel regelmatig vol met kleine huishoudelijke apparaten en bakjes vol met schroeven en kleine onderdelen ‘gerecyceld’ uit andere kapotte apparaten. De apparaten werden uit alle hoeken aangedragen want ik had een handige vader en noaberschap stond hoog in het vaandel, zaken werden zoveel mogelijk onderling opgelost. De ergenis van mijn vader groeide echter met de tijd. In eerste instantie omdat er steeds meer high tech in die apparaten werd verwerkt, waardoor hij ze niet meer zelf kon repareren en in tweede instantie, en dat irriteerde hem nog meer, waren de apparaten niet te openen zonder ze feitelijk te beschadigen. Ze werden blijkbaar min of meer gebouwd voor eenmalig gebruik. Het was niet een achterstand in kennis, wat hem parten speelde, of weerstand tegen het nieuwe – in ons huis werden altijd de nieuwste technische snufjes toegepast – het was een irritatie die te maken had met de beheersing van het product – lees vervreemding – en de eerste tekenen van een consumptiemaatschappij die manifester werd: duurzaamheid was niet langer een leidend motief.

Vervreemding werd onderdeel van onze cultuur. Natuurlijk waren er velen met vragen. Maar het antwoord was – al dan niet hardop uitgesproken – ‘zo gaat dat nu een keer bij ons’. Tijdens mijn studie sociale geografie was de ontwikkeling van het vastgoed en de kantorenmarkt onderdeel van het programma. Er haperde iets in de redenering die we kregen aangeboden. Vooral als je het in de tijd doortrok en er cijfers op los liet die onze economie produceerde. Ik zie de docent nog worstelend voor de collegezaal staan. Er werd ons leerstof aangeboden die niet te rijmen viel. Natuurlijk hadden we kritische vragen en natuurlijk werden die eerlijk beantwoord maar het totaal gaf een ontevreden gevoel. We doen dus blijkbaar als maatschappij iets dat niet klopt, we kunnen het niet tegenhouden en we moeten wachten tot de bubble klapt, dat was feitelijk de boodschap. Het liet een sluimerend gevoel van onvrede achter.

 

Raadskapel Eusebiuskerk Arnhem

Het lijkt wel alsof er sprake is geweest van een collectieve brainwash. De parallel met de vermeende ondergang van de leefgemeenschap op het Paaseiland is niet ver; ‘we hakken de laatste boom om, want zo doen wij dat nu een keer in onze cultuur’. We bewogen ons als westers collectief een richting op die veel waanzinnige elementen bevatte, maar als totaal hadden we er geen grip meer op. Ik schijf hier ‘bewogen’, alsof we reeds tot inkeer zijn gekomen. Dat zijn we nog niet. Maar we zijn niet langer volledig blind en er komt verzet tegen wat jaren lang als ‘normaal’ is beschouwd.

We hebben bovenal inzicht nodig om tot oplossingen te komen. Goede inzichten zijn ook ons nieuw kapitaal. Het mooie aan het congres van afgelopen donderdag waren de talrijke inzichten die werden aangeboden. Zo’n congres smaakt naar meer. Maar hebben we het probleem snel opgelost? Nee dat niet, we hebben er volgens mij minimaal twee generaties over gedaan om ons in deze toestand van vervreemding te begeven, het zal ook wel eens twee generaties kunnen duren om ons zelf weer te bevrijden.

 




Er zijn nog geen reacties