Blog  

 
Noaberschap en kantelaars
31 augustus 2013

 

Afgelopen week was Jan Rotmans te gast in het provinciehuis van Overijssel op uitnodiging van het trendbureau Overijsssel. De meesten van ons zullen hem wel kennen. Hij is het laatste jaar in programma’s op tv, maar ook op congressen een graag geziene gast. Daarnaast laat Rotmans ook flink van zich horen met name op twitter. Het is een man met een boodschap, soms op het randje van de provocatie.

De strekking van zijn verhaal bevalt mij wel. Het geeft richting en duiding aan dit woelige tijdperk. Feitelijk wijst hij tools aan waardoor een oplossingsrichting kan worden bereikt. En het leuke is dat wijzelf de oplossing zijn. Bottum up, gezamenlijke kracht en menslievendheid zijn kernbegrippen wat Rotmans betreft.

Wie Rotmans een beetje volgt weet dat Rotmans en het begrip ‘kantelaars’ synoniem zijn. Met kantelaars worden personen bedoeld die door hun manier van werken en/of en denken feitelijk een revolutie veroorzaken. Beroemd is zijn uitspraak in een uitzending van Tegenlicht van afgelopen seizoen: ‘geef me vijf dwarsdenkers, kantelaars, frisdenkers op het gebied van energie, gezondheid, mobiliteit, bouw en voedsel. Samen creëren we een revolutie’. Hij haalde er ook even de woede van vele ‘kantelaars’ op zijn hals: Hoezo maar vijf? Hoe durf je. Wij zijn er toch ook al? Zie je ons dan niet? Velen van ons zijn toch al bezig met het vinden en aanreiken van nieuwe oplossingen? En denk je nu  niet even veel te simpel?

 

 

Rotmans wees aanwezigen op het begrip Noaberschap. Hij wist het overigens heel bijzonder uit te spreken. Hij maakte er een soort Naaaberschap van. Het zal ook wel een woord zijn dat alleen maar door Oosterlingen en op grond van de klankkleur ook door mensen uit Scandinavië uit te spreken is. Maar goed, Rotmans had met het oog op deze lezing het begrip Noaberschap bestudeerd en kon alleen maar concluderen dat in Overijssel wel heel veel kantelaars moesten zijn. Maar toen hij naar namen en initiatieven vroeg, bleef het wel een beetje stil in de zaal. Deels uit bescheidenheid, Oosterlingen eigen, maar deels ook omdat we wellicht nog eens niet goed in staat zijn te registreren, wie reeds waar als kiemende kantelaar aan de slag is. En dat geldt niet alleen voor Oost Nederland, maar feitelijk voor het hele land.

Rotmans had een interessant punt dat hoop geeft voor Oost Nederland. In het begrip Noaberschap is immers inbegrepen dat we het normaal vinden zonder bijbedoelingen of commercieel gewin voor een ander te willen zorgen of iets te betekenen. En het gaat over saamhorigheid, dat we lokaal weer een krachtige gemeenschap kunnen en willen vormen. Kortom noaberschap raakt een kern van het nieuwe denken en de gemeenschapszin waar we nu naar toe bewegen.

 

 

En Noaberschap en kantelaars zal Oost Nederland hard nodig hebben. Sociaal economische scenario studies beloven niet veel goed voor Oost Nederland. Het ziet het er naar uit dat Oost Nederland van het bordje gaat vallen. Uiteraard had het Trendbureau Rotmans ook gevraagd wat Overijssel moest doen om zich goed voor te bereiden op de toekomst. In zijn advies was Rotmans heel duidelijk. Voor alles en iedereen in Nederland geldt: “Alles wat je nu niet meer nodig hebt, wat je als je nu nog mocht creëren en nooit zou willen hebben, dat moet je onmiddellijk afschaffen”. De toehoorders voelden hem al: dan zou je ook geen instituut ‘provincie’ meer creëren.

Specifiek voor het landsdeel Overijssel gaf Rotmans het volgende mee: Overijssel heeft een wenkend perspectief nodig en benoem dat. Breng in beeld waar je op gaat inzetten en waarop niet, wees eens duidelijk en durf keuzes te maken. Kun je je voorstellen waar Overijssel over 2o jaar haar geld mee verdiend? Vergis je niet, dat is wellicht niet een van de sectoren waar je nu op zet, en bedenk vooral, het topsectoren beleid voldoet sowieso niet, dus ga het niet daar zoeken. En wie zijn eigenlijk jullie kantelaars? Weten jullie dat wel? Breng ze in beeld en ga ze faciliteren. En als afsluiting van zijn betoog: zijn jullie bestuurders wel in staat voldoende sturing aan de toekomst te geven? Ga over al die vragen maar eens nadenken.

Foto’s met dank aan Jan Taco te Gussinklo

 




Er zijn nog geen reacties
De blauw-rode long van Düsseldorf, ontmoetingsruimte bij uitstek
25 augustus 2013

 

Onlangs was ik weer even in Düsseldorf. Opnieuw was ik onder de indruk van de belangrijke rol die de boulevard langs de Rijn in het openbare leven speelt. Volledig autovrij, bestaande uit een boven en een onderpromenade, een fiks aantal terrasjes en heel veel ruimte voor slenteraars, renners en skaters. Kortom het zindert van leven langs het Düsseldorfse waterfront en dat over een lengte van meer dan twee kilometer. Stiekem vergelijk ik dan de situatie ook met een aantal steden in Oost Nederland, waar ik bijna dagelijks kom en waar ik de gerichtheid op het water soms wel heel erg mis.

Het huidige waterfront is Düsseldorf is een situatie waar menige rivierstad van droomt maar waarvan ook menig stadsbestuur weet dat zulks alleen kan worden gerealiseerd door grootschalige infrastructurele en stedenbouwkundige ingrepen te plegen. Maar daarvoor ontbreekt het vaak aan visie en/of politieke moed en sinds de recente crisis ook nog aan geld. Vergelijk in deze Arnhem, gelegen aan de Rijn, waar vele plannen zijn gemaakt om de binnenstad weer terug te brengen naar de rivier, maar waar ideevorming steeds opnieuw door de werkelijkheid werd ingehaald.

 

Waterfront noordelijke binnenstad, bovenpromenade

Met de opkomst van het gemotoriseerde verkeer werden rivierkades wegen en werd het waterfront steeds minder een verblijfsplek. Inmiddels zijn de meeste binnensteden grotendeels autoluw gemaakt en speelt de verkeersader langs het water vaak een essentiële rol in de aan en afvoer van verkeer naar (een deel van) de binnenstad. Dit is o.a. de situatie in Deventer en Zutphen, beiden prachtig gelegen aan de IJssel, maar waar het waterfront feitelijk geen ontmoetingsplek van betekenis is doordat het water nog steeds door een rijweg van de binnenstad is afgesneden. De situatie in Nijmegen daarentegen is verwachtingsvol. Daar heeft de horeca al een plek veroverd langs het water en zijn de parkeerplekken langs de Waalkade sinds een klein jaar opgeheven. Het ziet er naar uit dat het ambitieuze programma rondom de Waalsprong de binnenstad nog veel meer dan voorheen naar het waterfront gaat trekken en de kade onderdeel gaan worden van een levendig binnenstedelijk verblijfsklimaat.

Terug naar de situatie in Düsseldorf. In de jaren 90 heeft het gemeentebestuur aldaar besloten tot het aanleggen van de Rheinuffertunnel. Het gemotoriseerde verkeer langs de Rijnkade werd volledig ondertunneld. Een fikse stedenbouwkundige ingreep, maar het gaf deze door de tweede wereldoorlog gemankeerde binnenstad ongelofelijk veel nieuw elan en bovenal een relaxed en bruisend stadshart langs het water, simpelweg doordat de kades en de daarop aansluitende pleinen aan voetgangers en de verpozende mens werd teruggegeven.

 

Rivierfront, zuidelijke binnenstad in de namiddag

Een succesvolle openbare ruimte wordt gekenmerkt door multifunctionaliteit, toegankelijkheid, identiteit en veiligheid. Al deze punten zijn op de boulevard van Düsseldorf geborgd. Door de lengte van de boulevard zijn verschillende verblijfsruimten ontstaan die om de paar honderd meter geleidelijk van kleur verschieten. Als rode verbindende draad door als deze gebieden loopt een aaneengesloten en volledig door platanen omzoomd wandelpad. Daarom heen is ruimte voor sporten (skaten, running), terrassen (stedelijk vertier, zakelijke ontmoetingen, toerisme) en hang- en picknick zones. Daarnaast biedt de combinatie van boulevard en aanpalende pleinen ruimte voor grootschalige events.

In de noordelijke binnenstad van Düsseldorf is de boulevard de verblijfsplek van de stadsbohemien. Een aantal 24-uurs winkeltjes en mobiele drankstandjes in de directe nabijheid bieden toegang tot gekoelde en betaalbare drankjes. Tussen de verpozende groepjes mensen scharrelen inzamelaars rond, die discreet afwachten tot de laatste slok is genuttigd en stilzwijgend of hooguit met een klein knikje een leeg blikje of flesje in ontvangst nemen. Dit systeem werkt fantastisch. Het is een kwestie van gunnen en gegund worden.

 

Handelshafen in de vroege ochtend 

Iets meer zuidwaarts, ten hoogte van de oude binnenstad is het domein van de gemiddelden. Hier zit op de benedenboulevard de doorgewinterde terrasganger zij aan zij met de toerist en het winkelend publiek dat eveneens graag een drankje wil nuttigen aan het water. Het is het terrasvertier dat je in vele badplaatsen indringend ervaart: overvolle terrassen, een kakofonie van stemmen en geluiden, menukaarten met foto’s, veel bier en wijn en uiteraard uitzicht op het water. Op de bovenboulevard valt de stilte en het groen des te meer op Hier wordt gerend, geslenterd en worden potjes jeu de boules onder de platanen gespeeld. Voor elk wel wat wils.

In de zuidelijke binnenstad is de boulevard ter hoogte van de Rheinkniebrücke een interessant maar rommelig overgangsgebied. Onder de overspanning van de brug is een verblijfsgebied ontstaan dat een associatie oproept met Berlijn Alexanderplatz, enerzijds door de bouwperiode van de omringende gebouwen en de hoogte van de brug,  maar wellicht ook wel door de Rheinturm (televisietoren) welke een eindje verderop staat. Hier eindigde een aantal jaren geleden de promenade en de naoorlogse binnenstad. Maar het pad omzoomd door platanen is inmiddels om de bebouwing heen doorgetrokken. De voetganger wordt uitgenodigd zijn weg te vervolgen. Feitelijk splitst de boulevard zich op dit punt in twee armen op.

 

Promenade ter hoogte van de Rheinkniebrücke

De meest westelijke arm blijft de Rijnoever volgen, alwaar de boulevard na een paar honderd meter eindigt op een landtong. De zuidwestelijke arm brengt de wandelaar via de platanenroute naar de ‘Docklands’ van Düsseldorf, naar de voormalige Handelshafen. Hier zijn tussen de opgeknapte pakhuizen, nieuwe kantoorpanden met een stevige design-knipoog verschenen. Ook hier vele terrasjes om te verpozen en voor in de avond hippe uitgaansgelegenheden. Overdag is dit gebied vooral de habitat van het twee-delig pak en jonge mensen met geld en/of hang naar een beetje bling bling. Hier is het zien en gezien worden dat de boventoon voert.

Eén boulevard, vele verschillende gebruikers en door de omvang en het volledig autovrij zijn van het gebied een geweldige plek om te verblijven en te ontspannen. Er wordt vaak gesproken over de groene longen van de stad, dit is ook zo’n long, maar dan blauw-rood van kleur. Op een plek als deze kun je je gemakkelijk voorstellen, hoe fijn het zou zijn te leven in een volledig auto vrije maar grootstedelijke stad.

Deze blog is op 2 september ook geplaatst op de site van de GSRO




Er zijn nog geen reacties
Kunst parallel aan de natuur: Museum Insel Hombroich
7 augustus 2013

 

Slechts een klein uurtje gaans voorbij de grensovergang bij Arnhem ligt Museum Insel Hombroich. De naam is heel misleidend. Een Insel? Een eiland kun je toch niet binnen een uur vanaf de Nederlands-Duitse grens ter hoogte van Arnhem bereiken? Toch wel, Insel Hombroich ligt in het achterland van Neuss, ten zuidwesten van Düsseldorf. Neuss zelf is niet spannend en het dorpje Holzheim, op weg naar Hombroich al helemaal niet, maar Hombroich zelf, wat een aangename verassing.

Op grond de naamgeving van het gebied verwacht je op zijn minst een meer, of wellicht een fikse rivier, met daarin een eiland, aan te treffen. Maar niets van dat alles. De directe omgeving is groen in de overtreffende trap. De naam lijkt – op grond van de plattegrond van het beeldenpark – ontleend te zijn aan het gegeven dat het oorspronkelijke gebied Hombroich wordt omgeven door het riviertje de Erft en enkele zijarmen daarvan, zodat er feitelijk sprake is van een door water omgeven land. Het museumpark is in de loop van de jaren uitgebreid over de grenzen van het ‘eiland’ heen. Het eilandgevoel is mede daardoor ver te zoeken. Ik zal niet de eerste zijn, die zich verbaast afvraagt, waar de naamgeving vandaan komt.

 

 

Museum Insel Hombroich stond al een aantal jaren op mijn verlanglijstje en deze zomer is het er van gekomen. Makelaar en kunstliefhebber Karl-Heinrich Müller (1936-2007), grondlegger van het beeldenpark (gesticht 1987) had zich als doel gesteld in navolging van Paul Cézanne, kunst en natuur met elkaar in relatie te brengen. Dat is hem meer dan gelukt. Dit licht glooiende beeldenpark is een feest voor elke natuur en kunstliefhebber.

Alhoewel het park duidelijk is aangelegd, heeft het niets gekunsteld en alleen inheemse planten en boomsoorten zijn ingezet. Het is juist daarom dat het park enerzijds heel vertrouwd aanvoelt, en anderzijds, door een geraffineerde ordening, magnifieke schoonheid over je uitstrooit. De specifiek voor het beeldenpark ontworpen kubusachtige expositiepaviljoens, met rode bakstenen gebouwd, enkel getooid met buitenproportionele hoge deuren zijn telkens opnieuw aangename verrassingen in het landschap. Het is vooral het contrast, in een landschapspark verwacht je doorgaans romantische gebouwen, getooid met tierlantijntjes, hier staan echter stoere gebouwen, bijna vestigingen, naar binnen gekeerd, die nieuwsgierig naar de inhoud maken. Het is alsof je telkens opnieuw een cadeautje krijgt als je een dergelijke kubus op je pad ontwaart.

 

 

Müller was zijn tijd ver vooruit. De laatste paar jaren in het binnen de museumwereld in zwang oude en moderne meesters naast elkaar op te hangen. Op Hombroich is dat een formule die van meet af aan in elk paviljoen is toegepast. Het werkt fantastisch, nieuwsgierigheid en opmerkingsvermogen worden telkens opnieuw geprikkeld. Er zijn ook geen bordjes of tekst anderszins. De hoge deuren lijken wel kluizen en prikkelen daardoor des te meer. Ook hier geen vermelding, niets. Mag je wel naar binnen? Ja. Het is de bedoeling dat je kijkt en voelt en afvraagt naar welk werk je eigenlijk zit te kijken en wat je eigenlijk ziet. Rembrandt, Matisse, Hans Arp, Anatol Herzfeld, antieke Chinese kunst, kunst van de Khmer en nog veel meer bekende en onbekende namen en antieke kunst wisselen elkaar telkens opnieuw af.

Zaalnummers, nee die zijn er niet. Je dwaalt door een paviljoen en gaat naar wat het oog trekt. Loop je daardoor de kans niet alles te zien? Ja, zonder meer. Maar of dat ook erg is? Het is wellicht ook wel de bedoeling, een van de paviljoens heet bijvoorbeeld het Labyrinth, een ander het Zwölf-Räume-Haus.

 

 

Nog zo iets verrassend. Je mag geen eten en drinken mee nemen in het park. Een heel bijzondere set. Is dat om de bezoekers een poot uit te draaien? Of gaat het hier ineens over verplichte winkelnering? Nee absoluut niet. Het is op de eerste plaats om de rust in het park niet te verstoren met afschuwelijke overvolle prullenbakken en zwerfvuil.  Honger en dorst lijden is niet nodig. Centraal in het park staat wederom een kubus, deze keer met glas opengemaakt met binnen grote robuuste houten tafels en buiten onder een partij bomen quasi nonchalant gearrangeerde terrasjes. In deze kubus staat een simpel maar zeer smaakvol koud en warm biologisch buffet klaar, geheel in stijl met deze tijd en met de waarden van Hombroich, wees één met de natuur. Je mag eten en drinken wat je wilt. Betalen? Nee, het eten wordt aangeboden. Desgewenst kun je wat geld op een schoteltje achterlaten.




Er zijn nog geen reacties