Leefbaarheid  

 
Afscheid van het verzorgingshuis?
18 november 2012

 

Het is een schrikbeeld dat ons allemaal wel eens door het hoofd schiet en waar we liever nog helemaal niet aan willen denken. Hoe ziet ons leven eruit als we oud zijn? En waar wonen we dan? Toch niet in een verzorgingshuis?

We hebben feitelijk heel iets raars met onze maatschappij gedaan. We hebben na de tweede wereldoorlog een rechtenmaatschappij opgebouwd. Iedereen kreeg recht op zorg, onderwijs, inkomen en huisvesting. Op zich een groot goed. Maar we werden ook een beetje lui, we werden van de wieg tot het graf verzorgd en begonnen dat heel normaal te vinden. De verzorgingsstaat was een feit geworden. De burger had rechten en de overheid plichten. Zo simpel lag het. De eigen verantwoordelijkheid werd nagenoeg vergeten en zorg werd een uitbesteed product. E.e.a ging hand in hand met individualisering, je wilde als zieke of oudere niet meer afhankelijk zijn van je familie. Verzorgd worden door de staat bood daarmee ook een zekere waarborg voor privacy en voorkwam dat anderen, lees familie en vrienden, zich teveel met je leven gingen bemoeien. En met elkaar creëerden we het product verzorgingshuis. Het joeg ons schik aan, we wilden er niet in wonen maar schoven onze ouderen er wel in.

We zijn te ver doorgeschoten en daar zijn we ons inmiddels van bewust. De crisis heeft ons ondertussen ook geen keuze gelaten.  We buigen de koers bij en zijn op zoek naar een nieuw evenwicht. Dat gaat moeizaam. Na 50 – 60 jaar vertroeteling door de overheid lijkt overheidszorg wel zoiets als water en eten. Kunnen we nog wel zonder?

 

Verzorgingshuis het Schild, Wolfheze. Inpandige buitenruimte.

Woensdagavond 14 november is de Gelderse studiekring Ruimtelijke Ordening (GSRO) op uitnodiging van Inbo te gast bij ‘Het Schild’, centrum voor visueel gehandicapte ouderen in Wolfheze, een zorgcomplex waar enkele jaren geleden door Inbo vernieuwbouw is gepleegd. We gaan met elkaar in gesprek over de toekomst van het verzorgingshuis. Met dit onderwerp op tafel is de omgeving waar we elkaar treffen heel toepasselijk.

We starten met een rondleiding. Ons realiserend dat alles in dit huis enigszins anders is als in een ‘normaal’ verzorgingshuis. Hier zijn de meeste inwoners zeer slecht ziend of blind. Wat opvalt is de zorg die is besteed aan lichtval en tactiele vormgeving. Voor slechtzienden is bijvoorbeeld een raam op het einde van een gang heel storend. De schittering belet het goed kunnen waarnemen van tegemoet lopende personen. Heel bijzonder zijn ook de kunstwerken van Hella Jongerius en Jurgen Bey. De ijsbloemen bijvoorbeeld, een stelsel van buizen in de vorm van bloemen, om aan te raken en welke kouder worden naarmate het buiten warmer wordt. Zelfs zo koud kunnen worden, dat ze wit worden van de ijsvorming. Of de zonnelamp, die meer warmte afgeeft naarmate de zon buiten uitbundiger schijnt. En langs de muren een stelsel van leuningen, waarin je je kan vasthouden en waar de muurbedekking ook voelbaar de zijde van de gang aangeeft, want in het Schild hebben de bewoners afspraken over links en rechts lopen, om botsingen te voorkomen. Bewoners komen we niet tegen, het is al laat in de avond, maar wel personeel. Vriendelijk personeel dat tijd neemt ons even te groeten en niet de indruk wekt dat alles snel moet worden afgeraffeld. Dat voelt goed.

 

IJsbloemen Hella Jongerius, Jurgen Bey, Het Schild, Wolfheze

We worden steeds gezonder ouder en mede door technologische veranderingen, o.a. door invloed van domotica, kunnen we steeds langer zelfstandig blijven wonen. Ook veranderende wetgeving, zoals de AWBZ wetgeving, waardoor scheiden van wonen en zorg wordt ingevoerd, draagt er toe bij dat het verzorgingshuis nog maar voor een hele kleine groep het laatste woonadres zal zijn. De huidige gemiddelde bewoner van het verzorgingshuis is inmiddels ruim in de 80.

Trude de Vroomen en Tako Postma van Inbo laten tijdens de lezing een groot aantal voorbeelden zien waaraan Inbo de afgelopen 20 jaar heeft gewerkt. De massale en als verzorgingshuis te herkennen complexen uit de jaren 70 van de vorige eeuw hebben plaats gemaakt voor kleinere units en de huisvesting is veel meer onderdeel van de omliggende woonomgeving geworden.  Na afschaffing van de rijksfinanciering en de bijbehorende bouwregels is er geen voorgeschreven standaard meer. Eigen keuzes van zorginstellingen zorgen voor grote verschillen. En daarmee voor de mogelijkheden voor ouderen om te kiezen hoe en waar ze verzorgd willen worden.

 

.

Tako Postma (r) geeft tijdens de rondleiding uitleg over de verbouwing. De maquette staat altijd op de gang. De blinde bewoners kunnen door te voelen een indruk krijgen van het totale complex.

De veranderende visie op zorg raakt niet alleen de zorgvragers maar ook de aanbieders van zorgvastgoed. Trude de Vroomen begon haar inleiding op de lezing met een aantal wezenlijke kernvragen die me heel erg zijn bijgebleven. We bouwen nog steeds verzorgingshuizen met als doel te verzorgen. Het is echter te kortzichtig om alleen maar op grond van demografische cijfers te bouwen. De vraag kan zomaar ineens wegvallen. Door veranderende wetgeving, hetgeen door de wijzing in de AWBZ nu feitelijk ook aan de hand is. Of doordat een pil tegen dementie wordt uitgevonden, dat zou mooi zijn, maar zou ook inhouden dat we in een klap heel wat minder verzorgingshuizen nodig zullen hebben. En op termijn, als de vergrijzing over haar hoogtepunt is, wat doe je daarna met al die gebouwen? Transformeren naar reguliere woonappartementen? Zijn de gebouwen daarvoor wel geschikt? En is daarvoor tegen die tijd nog marktvraag?  Waar voorheen zorgvastgoed vrij zorgeloos kon worden neergezet moet nu heel goed worden nagedacht over ruimtelijke, financiële, architectonische en markttechnische consequenties. Anders loert het monster leegstand om de hoek.

Na afloop van de avond kijken we elkaar een beetje lacherig en ongemakkelijk aan. Gelukkig zijn wij nog lang geen 80 jaar. En misschien gaan de ontwikkelingen wel zodanig dat wij nooit in een verzorgingshuis hoeven te gaan wonen. We kunnen het schrikbeeld nog even voor ons uitschuiven.




Er zijn nog geen reacties
In de ban van singularity
7 november 2012

Gisteravond woonde ik een lezing bij van Yuri van Geest, specialist op het gebied van Singularity, of op z’n Nederlands, singulariteit. In zijn lezing nam hij ons mee langs de verschillende deelaspecten van singularity: ICT, biotech, nanotech, neurotech, robots, artificiële intelligentie, nieuwe energie, braincomputer interfaces, 3D printers en ruimtevaart. Door de combinatorische mogelijkheden van al deze technieken gaan we van lineaire groei naar exponentiële groei. Feitelijk zitten we al in de fase van de exponentiële groei.

In een moordend tempo liet Yuri een aantal toekomstbeelden en best practices de revue liet passeren. Wat mij betreft had zijn lezing nog veel langer mogen duren. Maar er stonden nog meer programmaonderdelen op de rol en de voorzitter – overigens zeer terecht – was streng in de tijd. Yury en dus ook wij, het publiek, kregen exact een half uur.

 

 

De reacties van het publiek in de wandelgangen waren zeer divers. Waarbij overigens zij opgemerkt dat de lezing onderdeel was van de finale avond omtrent de prijsuitreiking van de innovatieprijsvraag =MEER, welke gisteren in Deventer plaatsvond. Je mag dus verwachten dat het publiek redelijk op de hoogte is van innovatieve begrippen, of op zijn minst geïnteresseerd.

Reacties als ‘razend interessant’ tot ‘hierbij haak ik af, dit is mij veel te ingewikkeld en ik moet het nog maar zien’. Maar ook verzet en weerstand. ‘Wat hebben we daar nou aan, van al die moderne dingen worden we toch niet gelukkiger, laten we het maar mooi houden zoals het nu is’.

Mmmm…, en dat terwijl er juist in de lezing perspectief werd geboden om problemen op het gebied van energievoorziening en gezondheidszorg op te lossen. Die sceptici willen toch straks ook een lekker verwarmd huis zonder de aarde nog verder uit te putten en toch ook heel graag een behandeling als er terminale kanker in het eigen lijf wordt ontdekt? Ik vind het steeds weer opnieuw raar dat veel mensen geneigd zijn een grens te trekken bij wat ze nu kennen en dat als OK beoordelen en dat notabene ook nog als de geldende maat neerzetten.

Een dergelijke afwerende houding kwam ik laatst ook tegen bij een aantal bezoekers van de Dutch Design Week (DDW) in Eindhoven met wie ik aan de praat raakte. Enerzijds trof ik bij velen een gretige fascinatie aan voor de esthetische aspecten van de geëxposeerde objecten, ook een ook logische houding, je gaat immers naar de DDW als je iets met design hebt. Anderzijds viel mij de desinteresse en of weerstand bij een aantal bezoekers op ten aanzien van geëxposeerde zaken die op het snijvlak lagen van techniek en design. Als het schoonheid toevoegde ja, dan was het OK, maar als de techniek vooropstond en de ‘uitvinding’ bedoeld was om dienstverlenend voor de gebruiker te zijn, werd de desbetreffende dienst nog wel eens als overtollig bestempeld.

Al die sceptici ten spijt, ondertussen omarmen we in Nederland ‘en masse’ nieuwe technieken. Als het gebruik van smartphones en tablets een maat mag vormen, komt het wel goed met die aversie tegen het nieuwe. Uit recent onderzoek blijkt dat Nederland voorop loopt in de adaptatie van smartphones en tablets: In Europa bezit 30% een smartphone, in Nederland is dat percentage 44%. De tablet is nog in opkomst, maar ook hier is het al duidelijk dat Nederland voor de stoet uitgaat, 7% gebruik in Europa tegen een percentage van 16% in Nederland!




Er zijn nog geen reacties